Lumbaal Radiculair Syndroom: Onderzoek, Diagnose en Behandeling

Lumbaal radiculair syndroom (LRS) is een veelvoorkomende aandoening die zich uit tot pijn die vanuit de lendenwervelkolom naar beneden uitstraalt, doorgaans in de vorm van een zenuwpijn dat een dermatomaal patroon volgt. In dit artikel wordt een gedetailleerde en wetenschappelijk onderbouwde beschrijving gegeven van de klachten, het onderzoek, de diagnose en de aanbevolen behandeling van LRS. Deze informatie is gebaseerd op richtlijnen van de Nederlandse Huisartsen Vereniging (NHG), zoals beschreven in de standaarden voor lumbosacraal radiculair syndroom en aspecifieke lagerugpijn. Het artikel richt zich op zowel beginners als ervaren individuen die hun fysieke en mentale welzijn willen verbeteren.

Inleiding

Lumbaal radiculair syndroom (LRS) is een aandoening die ontstaat als een zenuwwortel in de lendenwervelkolom geïrriteerd of bekneeld raakt. De klachten van LRS omvatten pijn die vanuit de rug naar beneden uitstraalt, vaak in combinatie met sensibele of motorische uitvalsverschijnselen. Het syndroom kan spontaan verdwijnen, maar in sommige gevallen kan het leiden tot langdurige functionele beperkingen.

Het belang van vroegtijdige herkenning en juiste behandeling is groot. Onderzoek door de huisarts speelt een centrale rol in het bepalen van de oorzaak van de klachten. De NHG-richtlijnen bieden duidelijke richtsnoeren voor het uitvoeren van fysieke testen, zoals de proef van Lasègue, en het interpreteren van de resultaten. Deze richtlijnen zijn essentieel voor het stellen van een correcte diagnose en het opstellen van een effectief behandelingstraject.

Onderzoek bij vermoeden van lumbaal radiculair syndroom

Bij een vermoeden van lumbaal radiculair syndroom is een grondig lichamelijk onderzoek van het belangrijkste. De huisarts moet een indruk krijgen van de ernst van de pijn en de mate van hinder. Daarnaast dient de ernst van eventuele uitvalsverschijnselen gedocumenteerd te worden. De NHG-richtlijnen beschrijven verschillende onderzoeken die bij een vermoeden van LRS kunnen worden uitgevoerd.

Proef van Lasègue

Een van de belangrijkste onderzoeken is de proef van Lasègue. Deze proef wordt uitgevoerd door bij een patiënt in rugligging het aangedane been (in de knie gestrekt) op te tillen, met vermijding van rotatie en ab- en adductie in de heup. De proef wordt positief genoemd als deze manoeuvre, binnen een kleinere hoek dan 60-70° tussen gestrekt been en ondergrond, gepaard gaat met (een verergering van) de pijn, die volgens een dermatomaal patroon tot onder de knie uitstraalt.

De proef van Lasègue heeft een hoge sensitiviteit, wat betekent dat een negatieve proef de diagnose LRS minder waarschijnlijk maakt. De pijn die tijdens de proef optreedt, ontstaat door rek van de geïrriteerde of beknelde zenuw. Wortelprikkeling is meer waarschijnlijk naarmate de pijn optreedt bij geringere flexie in de heup.

Gekruiste proef van Lasègue

Naast de standaardproef van Lasègue kan ook de gekruiste proef van Lasègue worden uitgevoerd. Deze proef bestaat uit het heffen van het contralaterale been terwijl de patiënt in rugligging ligt. De proef is positief als het heffen van het contralaterale been gepaard gaat met een pijnreactie in het aangedane been volgens hetzelfde patroon als bij de gewone proef van Lasègue.

De gekruiste proef van Lasègue heeft een hoge specificiteit en maakt de diagnose van LRS dus meer waarschijnlijk. Deze proef is daarom een waardevolle aanvulling op de standaardproef van Lasègue bij het bepalen van de oorzaak van de klachten.

Maximale vinger-vloerafstand en anaalreflex

Tijdens het onderzoek wordt ook aandacht besteed aan de maximale vinger-vloerafstand bij vooroverbuigen. Deze afstand geeft informatie over de mate van motorische en sensibele functie van de benen. Daarnaast kan de anaalreflex worden getest, wat van belang is bij vermoeden van een cauda-equinasyndroom.

Neurogene claudicatio intermittens en wervelkanaalstenose

Een andere belangrijke aandoening die bij vermoeden van LRS kan worden uitgesloten of bevestigd, is de neurogene claudicatio intermittens. Deze aandoening is gekenmerkt door uitstralende pijn, dove gevoelens en krachtverlies in één of beide benen en/of het rijbroekgebied, die optreden bij staan of lopen en verdwijnen bij zitten of vooroverbuigen.

De klachten van neurogene claudicatio verdwijnen meestal binnen 15 minuten na zitten of vooroverbuigen. De radiculaire provocatietesten zijn over het algemeen negatief en ook bij het overige lichamelijk onderzoek worden meestal geen afwijkingen gevonden. Bij afwezige perifere arteriële pulsaties en afname van de klachten bij staan, kan de diagnose perifeer arterieel vaatlijden overwogen worden.

Een andere mogelijke oorzaak van de klachten is een wervelkanaalstenose. Dit is een vernauwing van het wervelkanaal, meestal als gevolg van degeneratieve veranderingen van de benige en weke delen van de wervelkolom. Deze aandoening leidt tot compressie van één of meer zenuwwortels. De klachten die optreden bij een wervelkanaalstenose worden samengevat onder de term neurogene claudicatio, in de vorm van inspanningsgebonden pijn of een gevoel van zwakte of moeheid in de benen die toeneemt bij lopen en staan.

De meest bruikbare klinische bevindingen voor het aantonen van een lumbale wervelkanaalstenose zijn bilaterale pijn in bil en been, afwezigheid van pijn in zittende positie, verbetering van de pijn bij vooroverbuigen en een breedbasisch gangspoor. Lichamelijk onderzoek is minder bijdragend aan het stellen van de diagnose.

Diagnose en bevestiging

De diagnose van lumbaal radiculair syndroom kan in sommige gevallen op basis van een klinisch onderzoek worden gesteld. Echter, bij twijfel is verdere bevestiging nodig. MRI- of CT-onderzoek van de lumbale wervelkolom kan de aanwezigheid van een wervelkanaalstenose bevestigen. MRI is het meest sensitief bij het detecteren van zenuwwortelcompressies. De afkappunten voor de voor-achterwaartse diameter van het lumbale wervelkanaal variëren van 10 tot 15 mm.

Wervelkanaalstenosen komen vaak voor, maar leiden in de meeste gevallen niet tot klachten. Uit onderzoek blijkt dat bij 21% van de asymptomatische personen boven de 60 jaar een wervelkanaalstenose kan worden aangetoond. Dit duidt op de frequentie van deze aandoening in de ouderenpopulatie, maar ook op de relatieve belangrijkheid van klachten bij het stellen van een diagnose.

Behandeling van lumbaal radiculair syndroom

De behandeling van lumbaal radiculair syndroom richt zich op het verlichten van de klachten en het herstellen van de functie. Volgens de NHG-richtlijnen is er geen aanwijzing dat beperking van activiteiten nodig is na een eerste lumbale discusoperatie. De toegevoegde waarde van oefentherapie en revalidatieprogramma’s is waarschijnlijk beperkt. Mogelijk versnellen ze het herstel, maar ze zijn niet effectiever dan reguliere activerende oefenprogramma’s.

Cognitief gedragsmatige behandelprogramma’s worden niet aanbevolen vanwege hun beperkte effectiviteit en de hogere kosten in vergelijking met reguliere oefentherapie. De NHG-richtlijnen adviseren dus om in beweging te blijven en de dagelijkse activiteiten voort te zetten, inclusief werk. Bedrust wordt niet aanbevolen, tenzij bij ernstige klachten enkele dagen enkele uren rust genomen kan worden.

Complicaties

Bij vermoeden van complicaties zoals een epiduraal hematoom of spondylodiscitis is eerdere terugverwijzing naar de operateur aangewezen. Ook bij vermoeden van andere complicaties, zoals hoofdpijn als gevolg van duralekkage, dient contact opgenomen te worden met de behandelend neurochirurg of orthopeed. Bij recidiefklachten dient het beleid van de eerste episode van LRS-klachten gevolgd te worden. Een uitzondering is een kort interval tussen een voorafgaande discusherniaoperatie en het ontstaan van recidiefsymptomen.

Conclusie

Lumbaal radiculair syndroom is een veelvoorkomende aandoening die zich uit tot pijn die vanuit de lendenwervelkolom naar beneden uitstraalt. Het is belangrijk dat de klachten tijdig worden herkend en dat een grondig lichamelijk onderzoek wordt uitgevoerd. De NHG-richtlijnen bieden duidelijke richtsnoeren voor het uitvoeren van onderzoeken zoals de proef van Lasègue en de gekruiste proef van Lasègue. Deze testen helpen bij het stellen van een correcte diagnose en het opstellen van een effectieve behandeling.

Bij vermoeden van complicaties of recidiefklachten dient de patiënt teruggewezen te worden naar de operateur of specialist. De behandeling van LRS richt zich op het verlichten van de klachten en het herstellen van de functie. Activerende oefentherapie en het voortzetten van de dagelijkse activiteiten zijn aan te raden. Cognitief gedragsmatige programma’s worden niet aanbevolen vanwege hun beperkte effectiviteit.

Door het correct en tijdig herkennen van de klachten van LRS en het toepassen van de aanbevolen behandelingen, kan de kwaliteit van leven van de patiënt verbeterd worden. Het is belangrijk om de richtlijnen van de NHG te volgen om een betrouwbare en effectieve behandeling te garanderen.

Bronnen

  1. NHG Standaard Lumbosacraal radiculair syndroom
  2. NHG Standaard Aspecifieke lagerugpijn

Gerelateerde berichten