Het werkwoord être vervoegen: de basisregels, tijdvormen en oefeningen

Bij het leren van een vreemde taal is het vervoegen van werkwoorden een essentieel onderdeel. In het Frans zijn twee hulpwerkwoorden van uitzonderlijk belang: avoir en être. Deze worden gebruikt in samenstelde werkwoordtijden zoals het passé composé en het plus-que-parfait. In dit artikel leggen we uit hoe je het werkwoord être vervoegt in de verschillende tijden, hoe je het voltooid deelwoord vormt en wanneer je het accord (overeenstemming) moet maken met het onderwerp. Aan het eind vind je ook een aantal oefeningen om te testen of je de regels goed begrijpt.


Wat is het werkwoord être?

Het werkwoord être betekent in het Nederlands zijn. Het is een onregelmatig werkwoord, net als avoir, en wordt vaak gebruikt in samenstelde werkwoordtijden. In het Frans worden de samengestelde tijden gevormd door het hulpwerkwoord (avoir of être) en het voltooid deelwoord (participe passé) van het hoofdwerkwoord.

Bij être is het belangrijk om te weten dat je bijna altijd accord (overeenstemming) moet maken tussen het voltooid deelwoord en het onderwerp van de zin. Dit betekent dat het deelwoord moet aangepast worden aan het geslacht (mannelijk/vrouwelijk) en aantal (enkelvoud/meervoud) van het onderwerp.


Tijdvormen van het werkwoord être

Hieronder vind je de vervoegingen van het werkwoord être in de belangrijkste tijdvormen. Deze regels zijn essentieel om correct Frans te kunnen spreken, schrijven en schrijven.

1. Présent – tegenwoordige tijd

De tegenwoordige tijd wordt gebruikt om iets aan te duiden dat op het moment van spreken gebeurt.

  • Je suis – Ik ben
  • Tu es – Jij bent
  • Il/elle/on est – Hij/zij/men is
  • Nous sommes – Wij zijn
  • Vous êtes – Jullie zijn
  • Ils/elles sont – Zij zijn

2. Imparfait – onvoltooid verleden tijd

De onvoltooid verleden tijd wordt gebruikt om iets te beschrijven wat langdurig of herhaaldelijk in het verleden heeft plaatsgevonden.

  • J’étais – Ik was
  • Tu étais – Jij was
  • Il/elle/on était – Hij/zij/men was
  • Nous étions – Wij waren
  • Vous étiez – Jullie waren
  • Ils/elles étaient – Zij waren

3. Futur – onvoltooid toekomende tijd

De toekomende tijd wordt gebruikt om iets aan te kondigen wat in de toekomst zal gebeuren.

  • Je serai – Ik zal zijn
  • Tu seras – Jij zal zijn
  • Il/elle/on sera – Hij/zij/men zal zijn
  • Nous serons – Wij zullen zijn
  • Vous serez – Jullie zullen zijn
  • Ils/elles seront – Zij zullen zijn

4. Conditionnel – conditionele vorm

De conditionele vorm wordt gebruikt om over iets te praten wat je zou doen of zou willen doen in de toekomst (onder bepaalde voorwaarden).

  • Je serais – Ik zou zijn
  • Tu serais – Jij zou zijn
  • Il/elle/on serait – Hij/zij/men zou zijn
  • Nous serions – Wij zouden zijn
  • Vous seriez – Jullie zouden zijn
  • Ils/elles seraient – Zij zouden zijn

5. Passé composé – voltooid tegenwoordige tijd

De voltooid tegenwoordige tijd wordt gebruikt om te beschrijven wat in het verleden heeft plaatsgevonden en is afgerond.

  • J’ai été – Ik ben geweest
  • Tu as été – Jij bent geweest
  • Il/elle/on a été – Hij/zij/men is geweest
  • Nous avons été – Wij zijn geweest
  • Vous avez été – Jullie zijn geweest
  • Ils/elles ont été – Zij zijn geweest

Het voltooid deelwoord (participe passé) van être

Het voltooid deelwoord van être is été. Echter, bij het vervoegen van werkwoorden met het hulpwerkwoord être, moet je vaak het deelwoord aanpassen aan het onderwerp. Dit noemt men l’accord du participe passé.

Voorbeelden:

  • Shay et ses amis sont allés à la glacerie.
    Shay en haar vrienden zijn naar de ijssalon gegaan.
    ("allés" is het voltooid deelwoord van "aller", aangepast aan "ils/elles" – meervoud, mannelijk.)

  • Shay et Angèle sont restées plus longtemps.
    Shay en Angèle zijn langer gebleven.
    ("restées" is het deelwoord aangepast aan "elles" – meervoud, vrouwelijk.)

Let op: bij werkwoorden die worden vervoegd met être, moet je altijd accord maken, tenzij het werkwoord pronominaal is en wordt gevolgd door een lijdend voorwerp.


Wanneer moet je accorderen?

Accorderen is belangrijk als je het passé composé of plus-que-parfait vervoegt met het hulpwerkwoord être. Bij het accorderen kijk je naar:

  1. Geslacht van het onderwerp (mannelijk of vrouwelijk)
  2. Aantal van het onderwerp (enkelvoud of meervoud)

De regels zijn als volgt:

  • Mannelijk enkelvoud:
  • Vrouwelijk enkelvoud: -ée
  • Mannelijk meervoud: -és
  • Vrouwelijk meervoud: -ées

Voorbeelden:

  • Je suis allé au cinéma.
    Ik ben naar de bioscoop gegaan.
    (Mannelijk enkelvoud: -é)

  • Elle est allée en ville.
    Zij is in de stad geweest.
    (Vrouwelijk enkelvoud: -ée)

  • Nous sommes allés à la plage.
    Wij zijn naar de strand gegaan.
    (Mannelijk meervoud: -és)

  • Elles sont allées au restaurant.
    Zij zijn naar het restaurant gegaan.
    (Vrouwelijk meervoud: -ées)


Uitzonderingen en tips

1. Pronominale werkwoorden

Pronominale werkwoorden beginnen met se en beschrijven acties die je tegen elkaar of op jezelf richt. Bij deze werkwoorden moet je accorderen tenzij het werkwoord gevolgd wordt door een lijdend voorwerp.

  • Zonder lijdend voorwerp: accorderen

    • Je me suis lavé.
      Ik heb me gewassen.
      (Mannelijk enkelvoud: -é)
  • Met lijdend voorwerp: geen accorderen

    • Je me suis lavé les mains.
      Ik heb me handen gewassen.
      (Geen accorderen omdat “les mains” het lijdend voorwerp is.)

2. Werkwoorden met "y" of "en"

Als het werkwoord gevolgd wordt door y of en, hoef je in de meeste gevallen geen accorderen.

  • Elles y sont allées.
    Zij zijn daar geweest.
    (Accorderen omdat het werkwoord zonder lijdend voorwerp is.)

Oefeningen: het werkwoord être vervoegen

Hieronder vind je een aantal oefeningen om te testen of je de regels begrijpt. Probeer de correcte vervoeging aan te vullen.

Oefening 1: Vervoeg het werkwoord être in de tegenwoordige tijd

  1. Je _
  2. Tu _
  3. Il _
  4. Nous _
  5. Vous _
  6. Ils _

Antwoorden: 1. suis
2. es
3. est
4. sommes
5. êtes
6. sont


Oefening 2: Vervoeg het werkwoord être in de futur

  1. Je _
  2. Tu _
  3. Il _
  4. Nous _
  5. Vous _
  6. Ils _

Antwoorden: 1. serai
2. seras
3. sera
4. serons
5. serez
6. seront


Oefening 3: Vervoeg het werkwoord être in de conditionnel

  1. Je _
  2. Tu _
  3. Il _
  4. Nous _
  5. Vous _
  6. Ils _

Antwoorden: 1. serais
2. serais
3. serait
4. serions
5. seriez
6. seraient


Oefening 4: Vervoeg het werkwoord être in de passé composé met accorderen

  1. Je _ allé au cinéma.
  2. Elle _ allée à la plage.
  3. Nous _ allés en ville.
  4. Elles _ allées au restaurant.

Antwoorden: 1. suis
2. est
3. sommes
4. sont


Samenvatting

Het werkwoord être is essentieel bij het vervoegen van werkwoorden in het Frans. Het wordt gebruikt in samengestelde tijden zoals het passé composé en het plus-que-parfait. Bij het vervoegen met être moet je vaak accord maken tussen het onderwerp en het voltooid deelwoord. De regels voor accorderen hangen af van het geslacht en aantal van het onderwerp.

Bij pronominale werkwoorden en werkwoorden met een lijdend voorwerp gelden andere regels. Het is belangrijk om deze uitzonderingen goed te begrijpen om correct Frans te kunnen schrijven.


Bronnen

  1. Hoe vervoeg je het werkwoord être?
  2. Luisteroefening (A1): Op wintersport
  3. Accord du participe passé uitgelegd in het Nederlands
  4. Frans: het delend lidwoord

Gerelateerde berichten