Inleiding
Patellofemoraal pijnsyndroom (PFP) is een veelvoorkomende klacht bij zowel sporters als niet-sporters, waarbij de knieschijf (patella) pijn geeft bij bewegingen als kniebuigen, traplopen of lopen. Oefentherapie is een centrale interventie bij de behandeling van PFP, zoals duidelijk blijkt uit meerdere onderzoeken en richtlijnen.
De effectiviteit van oefentherapie is gebaseerd op een gestructureerde aanpak die gericht is op het opbouwen van kracht, stabiliteit en bewegingscontrole, met name in de quadriceps en heupspieren. Bovendien is het belangrijk om rekening te houden met de klachtenintensiteit van de patiënt om de belasting aan te passen en mogelijke overbelasting te voorkomen. In deze tekst worden de relevante oefeningen en aanpakken beschreven die volgens de huidige wetenschap het meest effectief zijn bij het herstellen van PFP.
Oefentherapie: basisprincipes en aanbevelingen
Oefentherapie bij patellofemoraal pijnsyndroom is een aanbevolen behandelstrategie die gericht is op het verbeteren van de functie van de knie en het verminderen van pijn. Volgens de richtlijnen van de richtlijnendatabase.nl is oefentherapie, in combinatie met educatie, een centrale component bij het beheersen van PFP. De aanbeveling is om deze therapie gedurende minstens zes tot twaalf weken toe te passen, met het voorkeur dat dit (deels) onder begeleiding van een fysiotherapeut of oefentherapeut gebeurt.
De aanpak moet gestructureerd zijn, zowel qua omvang als intensiteit. Het programma moet continu worden afgestemd op de klachtenintensiteit van de patiënt. Dit betekent dat oefeningen geleidelijk worden ingezet, afhankelijk van de pijn en de mogelijkheden van de patiënt. Een belangrijk aspect van oefentherapie is het opbouwen van kracht in de quadriceps (kniebewegende spieren) en eventueel ook in de heupspieren, zoals de abductoren en laterale rotators.
Naast fysieke oefeningen is het ook belangrijk om de patiënt educatie te geven over de aard van PFP, de oorzaken en de manier waarop de klacht kan worden beheerst. Deze educatie moet zowel mondeling als schriftelijk worden aangeboden, zodat de patiënt een goed begrip krijgt van de aandoening en haar behandeling.
Na zes en twaalf weken dient de voortgang van het programma te worden geëvalueerd. Dit betreft de omvang en intensiteit van de oefeningen, de pijn (bijvoorbeeld met de Visual Analogue Scale) en de functie (bijvoorbeeld met de Anterior Knee Pain Score). Indien er geen voldoende verbetering is, dient men over te gaan tot aanvullende conservatieve behandelingen. Als er na twaalf weken geen verbetering is opgetreden, dient men de diagnose te heroverwegen.
De kwaliteit van het onderzoek dat deze aanbevelingen onderbouwt is beperkt, maar consistent. Er zijn enkele randomized controlled trials (RCT’s) die duidelijk maken dat oefentherapie een positief effect kan hebben op de pijn en de functie van patiënten met PFP. Echter, het is nog niet duidelijk welke vorm van oefentherapie het meest effectief is of of deze aanpak voor iedere patiënt even goed werkt.
Oefeningen voor het patellofemoraal pijnsyndroom: hoe en wanneer
De keuze en uitvoering van oefeningen bij PFP hangt sterk af van de klachtenintensiteit en de fysieke toestand van de patiënt. In het begin van de herstelfase is het doel om de pijn te verminderen en de belasting op het kraakbeen in de knie te beperken. Dit betekent dat oefeningen in een beperkt bewegingsbereik worden uitgevoerd, zodat de knieschijf niet overbelast wordt.
Een aanbevolen oefening in het begin is de halve squat, waarbij de knie wordt gebogen tot ongeveer 45 graden. Deze oefening helpt om de quadriceps te belasten zonder het kraakbeen te veel te belasten. Als de pijn is afgenomen, kan het bewegingsbereik geleidelijk worden uitgebreid.
Een tweede oefening is de leg extension, waarbij het been van 90 graden tot 45 graden wordt gestrekt. Het belang van deze oefening ligt bij de excentrische (zakkende) fase van de beweging. Hierbij is het belangrijk om trillen te voorkomen en de beweging rustig en langzaam uit te voeren. Deze oefening helpt bij het verbeteren van de kracht en controle van de quadriceps, wat bijdraagt aan het verminderen van de pijn bij PFP.
Nadat de pijn is verminderd en de patiënt sterker is geworden, kunnen oefeningen worden uitgevoerd in een groter bewegingsbereik. Dit betekent dat de oefeningen langzaam worden ingezet, zodat de belasting op de knie geleidelijk toeneemt. Het is belangrijk om de klachtenintensiteit van de patiënt continu te monitoren, zodat eventuele overbelasting kan worden voorkomen.
Naast het opbouwen van kracht in de quadriceps is het ook essentieel om andere factoren aan te pakken die bijdragen aan PFP. Dit betreft bijvoorbeeld de stabiliteit van de knie, de kracht in de heupspieren en de flexibiliteit van de rechte spier. Door deze factoren te verbeteren, kan het risico op herhaling van de klacht worden verlaagd.
De rol van de VMO in patellofemoraal pijnsyndroom
De Vastus Medialis Obliques (VMO) is een onderdeel van de quadriceps en speelt een rol bij het stabiliseren van de knieschijf. Het is vaak aangehaald als een belangrijke spier die moet worden getraind bij PFP. Echter, de wetenschap geeft geen duidelijke bevestiging dat het selectieve trainen van de VMO effectief is bij het herstellen van PFP.
De VMO wordt vaak gezien als een spier die verzwakt kan zijn bij PFP, wat zou kunnen leiden tot een verkeerd positie van de knieschijf. Door deze spier te trainen, zou het mogelijk zijn om de knieschijf beter te stabiliseren en zo de pijn te verminderen. Echter, studies tonen niet duidelijk aan dat het selectieve trainen van de VMO effectief is. Bovendien is het niet eenvoudig om deze spier exclusief te trainen, omdat de quadriceps als geheel wordt geactiveerd tijdens meeste oefeningen.
Hoewel het trainen van de VMO niet altijd effectief is, is het wel belangrijk om de quadriceps als geheel te trainen. Dit betreft zowel de kracht, de stabiliteit als de controle van de spier. Door de quadriceps te versterken, kan de druk op het kraakbeen worden verminderd en kan de functie van de knie worden verbeterd.
Heupspierkracht en stabiliteit
Bij PFP is het niet alleen de quadriceps die een rol speelt, maar ook de heupspieren. De heupspieren, met name de abductoren en laterale rotators, spelen een rol bij het stabiliseren van de knie en het voorkomen van een verkeerde positie van de knieschijf.
Studies tonen aan dat het trainen van de heupspieren kan bijdragen aan het verminderen van de pijn bij PFP. Dit is vooral het geval bij vrouwen, die vaker PFP ondervinden dan mannen. Het trainen van de heupspieren helpt bij het verbeteren van de controle van de benen tijdens bewegingen en voorkomt zo mogelijke overbelasting van de knie.
Een aanbevolen oefening is het trainen van de abductoren en laterale rotators, bijvoorbeeld door laterale banden te gebruiken of door standen in te nemen waarbij de heupspieren actief worden ingezet. Deze oefeningen kunnen worden uitgevoerd in een licht bewegingsbereik om eventuele pijn te beperken.
Bewegingscontrole en coördinatie
Naast kracht en stabiliteit is bewegingscontrole ook een belangrijk aspect bij PFP. Het is belangrijk dat de patiënt tijdens bewegingen controle heeft over haar benen en knieën, zodat de belasting op de knie wordt verdeeld en het risico op herhaling van de klacht wordt verlaagd.
Oefeningen die gericht zijn op het verbeteren van de bewegingscontrole kunnen bijdragen aan het verminderen van de pijn bij PFP. Dit betreft bijvoorbeeld oefeningen met balans en coördinatie, zoals standen op één been of oefeningen met balansopdrachten. Deze oefeningen helpen bij het verbeteren van de controle van de benen en het verminderen van mogelijke overbelasting van de knie.
Psychologische factoren en motivatie
Bij PFP is het niet alleen de fysieke conditie van de patiënt die een rol speelt, maar ook de psychologische aspecten. De motivatie van de patiënt is een belangrijk factor bij het succes van oefentherapie. Als de patiënt gemotiveerd is en het programma trouw uitvoert, is de kans op herstel groter.
Studies tonen aan dat het belang van motivatie en volharding bij het herstellen van PFP niet onderschat mag worden. Het is belangrijk dat de patiënt duidelijke informatie krijgt over de aandoening en de behandeling, zodat ze begrijpt waarom bepaalde oefeningen worden voorgeschreven. Bovendien is het belangrijk dat de patiënt een positieve instelling heeft en gelooft in de effectiviteit van de behandeling.
Het is ook belangrijk dat de patiënt ondersteuning krijgt tijdens het programma. Dit kan zowel van de therapeut als van vrienden en familie zijn. Door een gestructureerde aanpak en continue feedback te bieden, kan de motivatie van de patiënt worden versterkt.
Conclusie
Oefentherapie is een centrale interventie bij het beheersen van patellofemoraal pijnsyndroom. Het is een gestructureerde aanpak die gericht is op het verbeteren van de functie van de knie en het verminderen van pijn. De aanbeveling is om oefentherapie gedurende minstens zes tot twaalf weken toe te passen, met het voorkeur dat dit (deels) onder begeleiding van een fysiotherapeut of oefentherapeut gebeurt.
De keuze en uitvoering van oefeningen hangt af van de klachtenintensiteit van de patiënt. In het begin van de herstelfase zijn oefeningen met een beperkt bewegingsbereik aan te raden, terwijl de intensiteit geleidelijk kan worden verhoogd naarmate de pijn is verminderd. Het is belangrijk om ook andere factoren aan te pakken, zoals heupspierkracht, stabiliteit en bewegingscontrole, om het risico op herhaling van de klacht te verlagen.
Hoewel het trainen van de VMO vaak wordt genoemd als een essentieel onderdeel van de behandeling, is er geen duidelijke wetenschappelijke ondersteuning voor het selectieve trainen van deze spier. Het is belangrijker om de quadriceps als geheel te trainen, zodat de belasting op de knie kan worden verminderd en de functie kan worden verbeterd.
De motivatie van de patiënt is een belangrijk factor bij het succes van de behandeling. Door duidelijke informatie te geven en gestructureerde oefeningen aan te bieden, kan de motivatie van de patiënt worden versterkt. De aanbeveling is om het programma gedurende zes tot twaalf weken uit te voeren en de voortgang regelmatig te beoordelen. Als er geen voldoende verbetering optreedt, dient men over te gaan tot aanvullende behandelmethoden of de diagnose te heroverwegen.
Bronnen
- Kniepijnvrij.nl: Oefeningen voor de knie bij het patellofemoraal pijnsyndroom
- Richtlijnendatabase.nl: Oefentherapie bij patellofemorale pijn
- Kniepijnvrij.nl: Oefeningen voor het patellofemoraal pijnsyndroom: VMO trainen?
- Fukuda, T.Y., Rossetto, F.M., Magalhaes, E., et al. (2010). Short-term effects of hip abductors and lateral rotators strengthening in females with patellofemoral pain syndrome: a randomized controlled clinical trial. Journal of Orthopaedic and Sports Physical Therapy;40(11):736-42.
- Herrington, L., Al-Sherhi, A. (2007). A controlled trial of weight-bearing versus non-weight-bearing exercises for patellofemoral pain. Journal of Orthopaedic & Sports Physical Therapy; 37(4):155-60.
- Holden, S., Rathleff, M. S., Thorborg, K., Holmich, P., & Graven-Nielsen, T. (2020). Mechanistic pain profiling in young adolescents with patellofemoral pain before and after treatment: a prospective cohort study. PAIN; 161(5).
- Holt, C. J., McKay, C. D., Truong, L. K., Le, C. Y., Gross, D. P., & Whittaker, J. L. (2020). Sticking to It: A Scoping Review of Adherence to Exercise Therapy Interventions in Children and Adolescents With Musculoskeletal Conditions. Journal of Orthopaedic & Sports Physical Therapy, 1–54.
- Hott, A., Brox, J.I., Pripp, A.P. et al. (2019) Effectiveness of Isolated Hip Exercise, Knee Exercise, or Free Physical Activity for Patellofemoral Pain. A Randomized Controlled Trial. The American Journal of Sports Medicine;47(6):1312–1322
- Hott, A., Brox, J.I., Pripp, A.P. et al. (2020) Patellofemoral pain: One year results of a randomized trial comparing hip exercise, knee exercise, or free activity. Scand J Med Sci Sports; 30:741–753.
- Loudon, J.D., Gajewsk, B., Goist-Foley, H.L., Loudon, K.L. (2004). The effectiveness of exercise in treating patellofemoral-pain syndrome. Journal of Sport Rehabilitation;13:323-42.
- Moyano, F., Valenza, M.C., Martin, L. et al. (2013). Effectiveness of different exercises and stretching physiotherapy on pain and movement in patellofemoral pain syndrome: a randomized controlled trial. Clinical Rehabilitation;27(5):409-17.
- Powers, C. M., Witvrouw, E., Davis, I. S., & Crossley, K. M. (2017). Evidence-based framework for a pathomechanical model of patellofemoral pain: 2017 patellofemoral pain consensus statement from the 4th International Patellofemoral Pain Research Retreat, Manchester, UK: part 3. British Journal of Sports Medicine; 51(24), 1713.
- Rathleff, M.S., Roos, E.M., Olesen, J.L., Rasmussen, S. (2015) Exercise during school hours when added to patient education improves outcome for 2 years in adolescent patellofemoral pain: a cluster randomised trial. Br J Sports Med; 49:406–412.
- Saad, M.C., Vasconcelos, R.A., Mancinelli, L.V.O., et al. (2018). Is hip strengthening the best treatment option for females with patellofemoral pain? A randomized controlled trial of three different types of exercises. Braz J Phys Ther.;22(5):408-416.