Oefeningen bij Subacromiale Schouderklachten: Een Gestructureerde Benadering

Bij schouderklachten is het belangrijk om de juiste interventies te kiezen om de pijn te verminderen en de functie van de schouder te herstellen. Subacromiale schouderklachten (SAPS) zijn een veelvoorkomende aandoening die gepaard gaat met pijn en beperkte bewegingsmogelijkheid, vooral in het abductietraject. Oefentherapie wordt vaak voorgesteld als een behandeling, maar de effectiviteit en de aanbevelingen zijn afhankelijk van de kwaliteit van het bewijs en de individuele klachten van de patiënt.

In deze gids worden de actuele richtlijnen en aanbevelingen voor oefeningen bij subacromiale schouderklachten beschreven, met een nadruk op het kiezen van de juiste oefeningen, het tijdstip waarop deze worden uitgevoerd, en de eventuele beperkingen die in de literatuur zijn genoemd.

Wat is Subacromiale Schouderklacht?

Subacromiale schouderklacht (SAPS) verwijst naar een groep van schouderaandoeningen die zich vooral manifesteren als pijn bij abductie van de schouder en een beperkte bewegingsmogelijkheid. Het syndroom omvat mogelijke aandoeningen van de rotator cuff, de subacromiale bols en andere structuren in de subacromiale ruimte. De klachten zijn vaak chronisch en kunnen zowel fysieke als functionele beperkingen veroorzaken.

De evaluatie van SAPS begint met een gedetailleerde anamnese en een lichamelijk onderzoek. Tijdens het onderzoek wordt de arm passief en actief geabduit en eventueel geroteerd om te controleren op pijn en beperking. Een abductiebeweging die pijn geeft, is een sterke aanwijzing voor SAPS. Daarnaast wordt het acromioclaviculaire gewricht geïnspecteerd op pijn en vormverandering.

Een echografie kan worden overwogen bij patiënten met klachten die na drie maanden nog aanhouden, ondanks adequate conservatieve behandeling. Bij een trauma kan dit onderzoek eerder worden ingezet.

Oefentherapie als Behandeloptie

Oefentherapie wordt vaak voorgesteld als een conservatieve behandeling bij SAPS. Deze interventie houdt in dat de patiënt oefent onder begeleiding van een fysiotherapeut of oefentherapeut en aan huis oefeningen doet. De doelen van oefentherapie zijn het verbeteren van de schouderfunctie, het verminderen van de pijn en het voorkomen van verdere disfunctie.

Een systematisch literatuuronderzoek van Page vormt de basis voor de aanbeveling rond oefentherapie bij SAPS. Volgens de resultaten van dit onderzoek lijkt oefentherapie de schouderfunctie bij patiënten met SAPS enigszins te verbeteren op de korte termijn. Echter, op de langere termijn (ongeveer een jaar) is er geen significante verbetering vergeleken met placebo of geen interventie. De kwaliteit van het bewijs is hierbij laag.

Hoewel oefentherapie korte-termijnvoordelen kan bieden, zijn er geen duidelijke lange-termijneffecten. Dit betekent dat de effectiviteit van oefentherapie beperkt is en dat patiënten andere behandelingen in overweging moeten nemen indien de klachten aanhouden.

Aanbevolen Oefeningen bij SAPS

De keuze van de juiste oefeningen hangt af van de individuele klachten en de beperkingen die worden waargenomen. Er zijn verschillende oefeningen die gericht zijn op het verbeteren van de schouderbeweging, het versterken van de schoudermuskulatuur en het verminderen van de pijn. De volgende oefeningen zijn aanbevolen bij SAPS:

1. Abductie van de Schouder (Passief en Actief)

Abductie is een basisbeweging die wordt uitgevoerd door de arm omhoog te tillen in het midden van de rug. Bij SAPS is de abductie vaak pijnlijk of beperkt. Het is daarom belangrijk om deze oefening geleidelijk in te zetten.

  • Passieve abductie: De arm wordt ter hoogte van de elleboog opgetild, zodat de beweging wordt uitgevoerd zonder gebruik van de schoudermuskels. Dit is een manier om de pijn te verminderen terwijl de bewegingsmogelijkheid wordt behouden.
  • Actieve abductie: Hierbij gebruikt de patiënt zijn eigen schoudermuskels om de arm omhoog te tillen. Deze oefening moet langzaam worden uitgevoerd en moet stoppen zodra pijn ontstaat.

De oefening moet worden herhaald voor beide schouders, mits mogelijk. Het aantal herhalingen kan geleidelijk worden verhoogd, afhankelijk van de klachten van de patiënt.

2. Exorotatie van de Schouder

Exorotatie betreft het roteren van de onderarm naar buiten, meestal bij een 90° gebogen elleboog. Bij SAPS is deze oefening vaak pijnlijk of beperkt. Het doel is om de bewegingsmogelijkheid in de exorotatie te verbeteren.

  • Passieve exorotatie: De onderarm wordt ter hoogte van de pols vastgepakt en geroteerd. De beweging moet worden uitgevoerd zonder gebruik van de schoudermuskels.
  • Actieve exorotatie: De patiënt gebruikt zijn eigen schoudermuskels om de onderarm te roteren. Deze oefening moet met zorg worden uitgevoerd, omdat de exorotatie vaak pijnlijk is bij SAPS.

De exorotatie is een belangrijke oefening voor het herstel van de schouderfunctie. Het aantal herhalingen moet worden afgestemd op de klachten van de patiënt en kan geleidelijk worden verhoogd.

3. Versterkende Oefeningen voor de Rotator Cuff

De rotator cuff bestaat uit vier kleine spieren die de schouderstabiliteit en functie ondersteunen. Bij SAPS is het belangrijk om deze spieren te versterken om pijn en disfunctie te verminderen.

  • Oefeningen met een band: Een therapeutische band kan worden gebruikt om de schoudermuskels te versterken. De oefeningen worden uitgevoerd in een lage weerstand en worden geleidelijk verhoogd.
  • Statische houdingen: De patiënt kan worden aangeraden om statische houdingen in te nemen die de rotator cuff versterken. Deze oefeningen worden uitgevoerd met een lage intensiteit en worden langzaam verhoogd.

De versterkende oefeningen moeten worden uitgevoerd onder begeleiding van een fysiotherapeut, omdat het belangrijk is om correcte uitvoering en pijnvrijheid te waarborgen.

Tijdstip voor Oefentherapie

Oefentherapie wordt vaak aanbevolen in de vroege fase van SAPS, voordat de klachten chronisch worden. De keuze voor oefentherapie moet worden gedaan op basis van de individuele klachten en de respons op conservatieve behandelingen zoals analgetica en corticosteroïdinjecties.

De effectiviteit van oefentherapie is meest gunstig in de korte termijn (tot 12 weken). Daarna wordt het effect minder duidelijk. Dit betekent dat oefentherapie een waardevolle optie is in de beginfase van SAPS, maar dat het niet als de enige behandeling mag worden beschouwd bij langdurige klachten.

Risico’s en Beperkingen van Oefentherapie

Ondanks de mogelijke voordelen van oefentherapie zijn er ook risico’s en beperkingen die in overweging moeten worden genomen.

  • Pijn bij uitvoering: Veel van de oefeningen zijn pijnlijk bij SAPS, wat kan leiden tot vermijding of onvolledige uitvoering.
  • Beperkte effectiviteit: De effectiviteit van oefentherapie is op lange termijn beperkt. De klachten kunnen terugkeren of chronisch worden.
  • Niet geschikt voor alle patiënten: Niet elke patiënt reageert op oefentherapie. De klachten en de respons op behandelingen kunnen verschillen per individu.

Het is daarom belangrijk om oefentherapie te combineren met andere behandelingen zoals analgetica, corticosteroïdinjecties of eventueel een echografie. Deze aanpak zorgt voor een meer gevarieerde en persoonlijke behandeling die gericht is op de individuele behoeften van de patiënt.

Aanvullende Behandelingen

Naast oefentherapie zijn er andere aanvullende behandelingen die kunnen worden overwogen bij SAPS. Deze behandelingen zijn vaak bedoeld om de pijn te verminderen, de functie van de schouder te verbeteren en het risico op complicaties te verminderen.

1. Analgetica

Analgetica zoals paracetamol en NSAID’s worden vaak voorgeschreven om de pijn te verminderen. Deze medicaties worden ingezet in het kader van het NHG-stappenplan voor pijnbehandeling.

  • Paracetamol: Een milde analgetica die vaak als eerste keuze wordt aangewezen.
  • NSAID’s: Deze medicaties hebben een sterker analgetisch effect, maar kunnen ook bijwerkingen hebben, zoals maagirritatie of nierproblemen.

De keuze voor analgetica moet worden afgestemd op de klachten van de patiënt en de eventuele bijwerkingen. Het is belangrijk om de minimale dosis te gebruiken die voldoende effect heeft.

2. Corticosteroïdinjecties

Corticosteroïdinjecties zijn een andere aanvullende behandeling die vaak wordt gebruikt bij SAPS. Deze injecties worden gegeven in de subacromiale ruimte en kunnen de pijn en ontsteking verminderen.

  • Kortetermijneffecten: De injecties lijken op korte termijn de pijn te verminderen en de functie van de schouder te verbeteren.
  • Lange termijn: Op de langere termijn is er geen duidelijk effect van corticosteroïdinjecties vergeleken met placebo.

De injecties moeten worden gegeven door een ervaren arts of fysiotherapeut. Het is belangrijk om te controleren op mogelijke complicaties, zoals een verhoogd risico op infecties of botdichte vermindering.

3. Echografie

Een echografie kan worden overwogen bij SAPS-klachten die na drie maanden nog aanhouden, ondanks adequate conservatieve behandeling. Een echografie kan meer duidelijkheid geven over de diagnose en de oorzaak van de klachten.

  • Gebruik bij SAPS: Een echografie wordt aanbevolen bij patiënten met SAPS-klachten die na drie maanden nog aanhouden, met name om een ruptuur of calcificaties te detecteren.
  • Gebruik bij trauma: Bij een trauma kan een echografie eerder worden ingezet om mogelijke schade in de schouder te beoordelen.

Het is belangrijk om de echografie door een ervaren schouderechografist te laten uitvoeren. De kwaliteit van het onderzoek hangt af van de ervaring van de arts of therapeut die het onderzoek uitvoert.

Conclusie

Bij subacromiale schouderklachten is oefentherapie een aanbevolen behandeloptie in de vroege fase van de aandoening. Oefeningen zoals abductie, exorotatie en versterkende oefeningen voor de rotator cuff kunnen helpen bij het verbeteren van de schouderfunctie en het verminderen van de pijn. Echter, de effectiviteit van oefentherapie is beperkt op de langere termijn, en het is daarom belangrijk om deze behandeling te combineren met andere interventies zoals analgetica en corticosteroïdinjecties.

De keuze van de juiste oefeningen hangt af van de individuele klachten en de respons op behandelingen. Het is belangrijk om de oefeningen onder begeleiding van een fysiotherapeut uit te voeren om de correcte uitvoering en pijnvrijheid te waarborgen. Daarnaast is het aanbevolen om een echografie in overweging te nemen bij SAPS-klachten die na drie maanden nog aanhouden, ondanks adequate conservatieve behandeling.

Tot slot is het belangrijk om te erkennen dat niet alle patiënten even goed reageren op oefentherapie. De individuele klachten, de respons op behandelingen en de aanwezige complicaties bepalen de keuze van de meest geschikte aanpak. Een gevarieerde en persoonlijke behandeling is essentieel voor het herstel van de schouderfunctie en het verminderen van de pijn bij SAPS.

Bronnen

  1. NHG Standaard Schouderklachten

Gerelateerde berichten