Voor sporters en actieve mensen is het belangrijk om te weten welke oefentherapieën effectief zijn bij het herstel van patella tendinopathie. Patella tendinopathie, ook bekend als 'kniepeespijn', is een veelvoorkomend aandoening bij sporters, vooral bij sporten die veel springen of sprints vereisen. De beschikbare literatuur over de effectiviteit van verschillende oefentherapieën (zoals excentrische, isometrische en isotone oefeningen) is echter niet eenduidig. In deze tekst bespreken we de wetenschappelijke bevindingen over oefentherapie bij patella tendinopathie, met een focus op de beschikbare gegevens over de effecten van verschillende oefenmethoden op pijn, functioneren en herstel.
Inleiding
Patella tendinopathie is een aandoening van de pees die de kniepees met de knieschijf verbindt. Het wordt vaak veroorzaakt door herhaalde belasting, zoals bij voetbal, basketbal of atletiek. Bij mensen met patella tendinopathie is er sprake van pijn in de kniepees, die vooral voelt bij springen, sprints of klimmen. Oefentherapie wordt vaak voorgeschreven als behandeling, maar de exacte manier waarop deze oefeningen moeten worden uitgevoerd is niet altijd duidelijk. De beschikbare literatuur geeft aan dat er nog veel onzekerheid is over welke oefentherapie het meest effectief is voor het herstel van patella tendinopathie.
Pijn en oefentherapie
Een van de belangrijkste doelen van oefentherapie bij patella tendinopathie is het verminderen van pijn. Verschillende studies hebben de effectiviteit van excentrische, isometrische en isotone oefeningen onderzocht. Echter, de resultaten zijn niet eenduidig.
In de studie van Van Ark (2016) werden isometrische en isotone oefeningen vergeleken bij sporters met patella tendinopathie. De isometrische groep gebruikte een knieextensie-machine om vijf sets van 45 seconden isometrische contracties uit te voeren op 80% van hun maximum kracht. De isotone groep gebruikte dezelfde machine om vier sets van acht herhalingen te doen, met een 3-secendige concentrische fase gevolgd door een 4-secendige excentrische fase per herhaling. De resultaten toonden dat er geen statistisch significante verschillen waren tussen de groepen op de numerieke schaal voor pijn na 4 weken. Deze studie suggereert dat zowel isometrische als isotone oefeningen pijn kunnen verminderen, maar geen van de twee methoden duidelijk beter presteert.
Een andere studie, gedaan door Visnes (2005), rapporteerde een gemiddelde VAS-score van 5.1 ± 8.1 tijdens excentrische oefeningen, maar gaf geen informatie over de pijnlevels van de controlegroep. Daardoor is het moeilijk om conclusies te trekken over de effectiviteit van excentrische oefeningen in vergelijking met andere methoden.
De gegevens over de effectiviteit van verschillende oefentherapieën op pijn zijn dus erg onzeker. De meeste studies zijn klein, en de methodologie is niet altijd robuust genoeg om duidelijke conclusies te trekken. Dit betekent dat er meer onderzoek nodig is om te bepalen welke oefenmethoden het meest effectief zijn voor het verminderen van pijn bij patella tendinopathie.
Functioneren en oefentherapie
Naast het verminderen van pijn is het ook belangrijk om het functioneren van de knie te verbeteren. De VISA-P-lijst is een veelgebruikt instrument om pijn en functie te meten bij patiënten met patella tendinopathie. De scores op deze lijst variëren van 0 tot 100, waarbij 100 betekent dat de patiënt volledig asymptomatisch is en volledig functioneert. De VISA-P-lijst is gebruikt in meerdere studies (Frohm, 2007; Kongsgaard, 2009; Stasinopoulos, 2012; Van Ark, 2016; Visnes, 2005) om de effectiviteit van oefentherapie te beoordelen.
In de studie van Kongsgaard (2009) werd een drie-armed trial uitgevoerd: excentrische oefeningen, zware traag-krachtige oefeningen (HSR) en peritendineuze corticosteroidinformatie. De excentrische oefeningen bestonden uit drie sets van 15 traag uitgevoerde excentrische oefeningen op een 25° hellingsplank, twee keer per dag gedurende 12 weken. De HSR-training bestond uit drie wekelijkse sessies, inclusief één begeleide sessie. De oefeningen werden langzaam uitgevoerd, met een focus op zowel de excentrische als de concentrische fase. Alle deelnemers mochten hun sportactiviteiten voortzetten, mits de pijn op een VAS-schaal niet hoger was dan 30.
De resultaten toonden aan dat zowel excentrische als HSR-training leidden tot verbeteringen in de VISA-P-scores, maar er was geen duidelijk verschil tussen de twee methoden. Dit suggereert dat zowel excentrische als zware traag-krachtige oefeningen effectief kunnen zijn voor het verbeteren van het functioneren van de knie bij patella tendinopathie.
De studie van Van Ark (2016) toonde ook verbeteringen in de VISA-P-scores na 4 weken oefentherapie, maar weer was er geen statistisch significant verschil tussen de isometrische en isotone groepen. Deze resultaten wijzen op de moeilijkheid om te bepalen welke oefenmethode het meest effectief is voor het verbeteren van de functie van de knie bij patella tendinopathie.
Herstel en oefentherapie
Een van de doelen van oefentherapie is om patiënten zo snel mogelijk terug te brengen naar hun sport- of werkactiviteiten. In de studie van Van Ark (2016) werd het functioneren gemeten met de VISA-P-lijst, maar er was geen duidelijke meting van de tijd die nodig was om terug te keren naar sport of werk. Dit betekent dat er geen concreet bewijs is voor de effectiviteit van oefentherapie op de terugkeer naar sport of werk.
In de studie van Kongsgaard (2009) konden de deelnemers hun sportactiviteiten voortzetten gedurende de interventieperiode, mits de pijn op een VAS-schaal niet hoger was dan 30. Dit suggereert dat oefentherapie mogelijk een rol kan spelen in het versnellen van de terugkeer naar sport of werk, maar er is geen duidelijke meting van de duur van de afwezigheid of het herstelproces.
De gegevens over herstel en oefentherapie zijn dus erg beperkt. De beschikbare studies geven geen duidelijke informatie over hoe snel patiënten met patella tendinopathie met oefentherapie kunnen herstellen of terugkeren naar hun sport- of werkactiviteiten. Meer onderzoek is nodig om deze kwesties te beantwoorden.
Conclusie
Oefentherapie is een veelgebruikte methode voor het behandelen van patella tendinopathie, maar de beschikbare gegevens tonen aan dat de effectiviteit van verschillende oefenmethoden (excentrische, isometrische en isotone oefeningen) niet eenduidig is. De meeste studies zijn klein en hebben methodologische beperkingen, wat leidt tot onzekerheid over welke oefenmethoden het meest effectief zijn.
In de praktijk adviseren experts vaak om zware traag-krachtige oefeningen te gebruiken, met de mogelijkheid om afhankelijk van de reactie van de kniepees ook isometrische oefeningen toe te voegen. Dynamische oefeningen zijn de voorkeur indien deze goed worden getolereerd (pijn tijdens en na afloop van de oefeningen VAS ≤ 3). Isometrische oefeningen kunnen een alternatief zijn in het geval van een pijnscore hoger dan drie punten (0 tot 10).
Hoewel oefentherapie pijn en functie kan verbeteren, zijn de gegevens over herstel en de terugkeer naar sport of werk beperkt. Meer onderzoek is nodig om te bepalen welke oefenmethoden het meest effectief zijn voor het herstel van patella tendinopathie.