Inleiding
De constructie "doen+infinitief" is een veelvoorkomend fenomeen in het regionale Nederlands, met name in het Heerlens Algemeen Nederlands (HAN). In deze bijdrage wordt ingegaan op de syntactische en aspectuele functie van deze constructie aan de hand van data uit een spreektaalcorpus. De focus ligt op het bewijzen van de syntactische relevantie van "doen" in deze constructies en het feit dat deze niet slechts een vorm van taalontwikkeling of taalontwijkingsgedrag is. De doelgroep van dit artikel is iedereen die zich interesseert voor het regionale Nederlands en de taalkundige aspecten van het gebruik van "doen+infinitief".
De syntactische functie van doen in de doen+infinitief-constructie
In de regionale taalgebruik, en met name in het HAN, treedt de constructie "doen+infinitief" frequent op. Een typische voorbeeld is "zij doet werken". In deze zin drukt "doen" een habitueel aspect uit. Dit betekent dat de activiteit die wordt aangeduid met de infinitief herhaald en met een vaste regelmaat plaatsvindt.
In tegenstelling tot wat vaak wordt aangenomen, is "doen" hierin niet een overbodig of redundant element. De syntactische functie van "doen" is essentieel voor het uitdrukken van het habituele aspect. Dit verschilt van de constructies in het Algemeen Nederlands (AN), waar het habituele aspect meestal uitgedrukt wordt met behulp van adverbia, zoals "altijd" of "alleen maar".
Een belangrijk argument voor de syntactische relevantie van "doen" is het feit dat in het HAN-corpus constructies voorkomen waarin het werkwoord zowel met als zonder "doen" gebruikt wordt. Dit wijst op een bewuste keuze van de spreker en duidt op een functionele rol van "doen" in het uitdrukken van aspect. Zo kunnen constructies als "hij doet vissen" en "hij visst" door dezelfde spreker gebruikt worden, waarbij de keuze tussen beide varianten semantisch relevant is.
De syntactische functie van "doen" wordt verder onderbouwd door de onaanvaardbaarheid van constructies waarin "doen" niet de flexie en aspect draagt. In dergelijke gevallen, zoals wanneer het hulpwerkwoord "hebben" gebruikt wordt in plaats van "doen", zijn de zinnen grammaticaal onaanvaardbaar. Dit suggereert dat "doen" in de HAN-constructie een eigen syntactische functie heeft, namelijk het uitdrukken van aspect.
Het aspectuele karakter van doen+infinitief
Een van de meest significante bevindingen uit het HAN-corpus is dat "doen" in de constructie "doen+infinitief" een habitueel aspect uitdrukt. Dit betekent dat de activiteit die door de infinitief wordt aangeduid, herhaald wordt en zich met regelmaat voordoet. Dit is in contrast met de incidentele betekenis die vaak met de constructie in het AN geassocieerd wordt.
De habituele betekenis is duidelijk aanwezig in constructies zoals "hij doet werken", waaruit blijkt dat de activiteit "werken" niet eenmalig is, maar regelmatig voorkomt. In dergelijke zinnen is "doen" niet slechts een omschrijvende constructie, maar een essentieel aspectueel element dat de herhaalde aard van de activiteit benadrukt.
Een verdere bevestiging van het aspectuele karakter van "doen" is te vinden in de restricties die gelden voor de constructie in het HAN. Zo blijkt uit de data dat de constructie alleen aanvaardbaar is indien "doen" zowel tense, congruentie als aspect draagt. In zinnen waarin het hulpwerkwoord "hebben" gebruikt wordt in plaats van "doen", of waarin het werkwoord "gaan" een inchoatief aspect uitdrukt, zijn de zinnen grammaticaal niet aanvaardbaar. Dit suggereert sterk dat "doen" in de HAN-constructie een eigen aspectuele functie heeft.
Bijvoorbeeld:
- Zij doet werken. (habitueel aspect)
- Zij werkt. (incidenteel aspect)
In de eerste zin benadrukt "doen" het herhaalde karakter van de activiteit, terwijl in de tweede zin geen dergelijke aspectuele informatie aanwezig is. Deze verschillen duiden op een functionele rol van "doen" in het uitdrukken van aspect in de regionale taalgebruik.
De rol van doen in het HAN-corpus
Het HAN-corpus, dat uit 33,5 uur bandopnamen van spontane regionale spreektaal bestaat, biedt een rijke bron voor het bestuderen van de syntactische en aspectuele functie van "doen". In dit corpus komen constructies als "zij doet werken" en "hij doet vissen" regelmatig voor, waarbij "doen" een duidelijke aspectuele functie heeft.
Een belangrijk aspect van dit corpus is dat de sprekers ervaren en volwassen taalgebruikers zijn. Dit betekent dat de constructie niet uitsluitend in kindertaal of in de taal van onervaren taalgebruikers voorkomt. In tegenstelling tot wat vaak wordt beweerd, is de "doen+infinitief"-constructie in het HAN een natuurlijke en functionele constructie die door ervaren sprekers wordt gebruikt.
De data uit het HAN-corpus tonen aan dat "doen" in deze constructie niet slechts een omschrijvende functie heeft, maar een syntactisch en aspectueel relevante functie. Dit is te zien in de manier waarop sprekers constructies met en zonder "doen" gebruiken, afhankelijk van de semantische context. Zo kunnen constructies met "doen" en zonder "doen" door dezelfde spreker gebruikt worden, wat wijst op een bewuste en functionele keuze.
Een voorbeeld hiervan is de constructie "hij doet vissen" en "hij visst". In beide zinnen wordt hetzelfde werkwoord gebruikt, maar de keuze tussen "doen" en het werkwoord zonder "doen" heeft een semantische betekenis. In de eerste zin benadrukt "doen" het habituele aspect, terwijl in de tweede zin geen dergelijke aspectuele informatie aanwezig is. Dit duidt op een syntactische functie van "doen" in het HAN.
Restricties en onaanvaardbaarheid
Een belangrijk aspect van de "doen+infinitief"-constructie in het HAN is dat deze constructie alleen aanvaardbaar is indien "doen" de flexie, congruentie en aspect draagt. In zinnen waarin het hulpwerkwoord "hebben" gebruikt wordt in plaats van "doen", of waarin het werkwoord "gaan" een inchoatief aspect uitdrukt, zijn de zinnen grammaticaal niet aanvaardbaar.
Deze restricties tonen aan dat "doen" in de HAN-constructie niet slechts een omschrijvende functie heeft, maar een syntactisch en aspectueel relevante functie. In het HAN is "doen" een essentieel element voor het uitdrukken van aspect, en kan het niet vervangen worden door andere constructies zonder dat de grammaticale of semantische betekenis verandert.
Deze restricties zijn ook te vinden in vergelijkbare constructies in het AN. Zo blijkt uit de data dat de constructie in het AN, waarin "doen" gebruikt wordt als een omschrijvende constructie, niet dezelfde aspectuele functie heeft als in het HAN. In het AN is "doen" meestal een omschrijvende constructie die syntactisch minder relevant is, terwijl in het HAN "doen" een essentieel aspectueel element is.
Conclusie
De "doen+infinitief"-constructie in het HAN is een syntactisch en aspectueel relevante constructie die door ervaren en volwassen taalgebruikers wordt gebruikt. In tegenstelling tot wat vaak wordt beweerd, is deze constructie geen vorm van taalontwijkingsgedrag of kindertaal, maar een natuurlijke en functionele constructie in de regionale taalgebruik.
De data uit het HAN-corpus tonen aan dat "doen" in deze constructie een essentieel aspectueel element is dat het habituele karakter van de activiteit benadrukt. De restricties die gelden voor deze constructie duiden op een syntactische functie van "doen", die niet vervangen kan worden door andere constructies zonder dat de grammaticale of semantische betekenis verandert.
In het HAN is "doen" dus een functioneel en syntactisch relevante constructie die niet slechts een omschrijvende functie heeft, maar ook een essentieel aspectueel karakter. De syntactische en aspectuele functie van "doen" in deze constructie duidt op een eigen taalsystematiek voor het regionale Nederlands, die niet volledig overeenkomt met de grammaticale normen van het Algemeen Nederlands.