Functionele therapie en mobiliteit bij kinderen met spastische cerebrale parese

Het verbeteren van mobiliteit bij kinderen met spastische cerebrale parese (CP) is een belangrijk doel van revalidatie. In dit artikel bespreken we de rol van functionele therapie binnen deze context. Op basis van de meest recente richtlijnen en studies wordt een duidelijk beeld geschetst van de aard van functionele therapie, de effecten op mobiliteit en de criteria waaraan een interventie moet voldoen om onder deze benaming te vallen. We leggen uit hoe deze therapie zich onderscheidt van andere interventies en waarom het belangrijk is om de uitvoering te normaliseren en te standaardiseren.

Inleiding

Cerebrale parese is een neurologische aandoening die vaak in het vroege leven ontstaat en zich uitsluitend op de motorische functie uit. Spastische CP is de meest voorkomende vorm en wordt gekenmerkt door spierstijfheid en bewegingsbeperkingen. Het verbeteren van de mobiliteit bij deze groep patiënten is een centraal doel in de revalidatie. In de afgelopen jaren is er een shift geweest in de aanpak van fysiotherapie, van interventies gericht op normalisatie van bewegingen naar therapieën die functionele activiteiten en het dagelijks functioneren bevorderen.

Functionele therapie is hierbij centraal. Het gaat niet om het normaliseren van motorische patronen, maar om het verbeteren van de functionaliteit in de eigen context. In dit artikel zullen we de theorie en praktijk van functionele therapie onder de loep nemen, met een nadruk op de criteria, de uitvoering en de effectiviteit van deze benadering bij kinderen met spastische CP.

Wat is functionele therapie?

Functionele therapie is een interventie die zich richt op het verbeteren van het functioneren in het dagelijks leven, in plaats van het normaliseren van motorische patronen. In tegenstelling tot traditionele fysiotherapie, die vaak gericht is op het corrigeren van spierstijfheid en het herstellen van normale bewegingspatronen, probeert functionele therapie de kinderen te begeleiden in het leren en oefenen van specifieke activiteiten die relevant zijn voor hun dagelijks functioneren.

De werkgroep die deze richtlijn heeft opgesteld, heeft criteria opgesteld waaraan een interventie moet voldoen om onder de noemer "functionele therapie" te vallen. Deze criteria zijn:

  1. Doelgericht: De interventie moet gericht zijn op duidelijke doelen die voor de kinderen relevant zijn.
  2. Gericht op activiteiten/participatie van de ICF-CY: De therapie moet zich richten op het verbeteren van activiteiten en participatie, zoals lopen, zich verplaatsen en dagelijkse taken uitvoeren.
  3. Taakspecifiek: De oefeningen moeten gericht zijn op specifieke taken of functies.
  4. Actieve rol van kind en ouders: De kinderen en hun ouders moeten actief betrokken zijn in het leren, ontdekken en vinden van oplossingen.
  5. Gericht op functionaliteit in plaats van normaliteit: De therapie probeert het functioneren te verbeteren, in plaats van het normaliseren van bewegingen.
  6. Contextspecifiek: De therapie moet afgestemd zijn op de context waarin de kinderen zich begeven, zoals hun leefomgeving.

Deze criteria zijn essentieel voor het bepalen van welke interventies onder de noemer functionele therapie vallen. Het is echter belangrijk op te merken dat in veel studies de uitvoering en inhoud van de therapie niet altijd duidelijk is beschreven, wat het vergelijken en interpreteren van resultaten bemoeilijkt.

De uitvoering van functionele therapie

In de praktijk betekent functionele therapie dat fysiotherapeuten en andere medewerkers samen met kinderen en ouders specifieke doelen vaststellen. Deze doelen zijn vaak gericht op het verbeteren van activiteiten zoals lopen, zich verplaatsen, spelen of andere functionele taken. De therapie vindt meestal plaats in de omgeving waarin de kinderen zich het meest op hun gemak voelen, bijvoorbeeld op school of thuis.

Een typische interventie kan bijvoorbeeld bestaan uit het oefenen van lopen in een natuurlijke omgeving, met doelen die gericht zijn op het verbeteren van de snelheid of het verminderen van vermoeidheid. In plaats van passief te rekenen op technieken zoals rekken of normaliseren van bewegingen, wordt er nadruk gelegd op het leren en oefenen van deze taken in een functionele context.

De duur en frequentie van de therapie kan variëren, maar in studies zoals die van Bar-Haim zijn interventies vaak 3 keer per week gedurende 1 uur, met een totaal van 36 sessies. Dit duidt op een intensieve, maar doelgerichte aanpak.

Een belangrijk aspect van functionele therapie is het gebruik van compensatoire strategieën. In plaats van te proberen om een kind tot een ‘normaal’ bewegingspatroon te dwingen, wordt er gezocht naar strategieën die het functioneren mogelijk maken. Bijvoorbeeld: een kind dat moeite heeft met lopen op vlakke grond, kan leren om gebruik te maken van een rolstoel in bepaalde situaties om het functioneren te verbeteren.

Effecten van functionele therapie op mobiliteit

Het effect van functionele therapie op mobiliteit is een centraal onderwerp in de onderzoeksvragen van de richtlijn. In een aantal studies is onderzocht of deze benadering leidt tot verbeteringen in het lopen en zich verplaatsen bij kinderen met spastische CP.

Een van de meest relevante studies is die van Bar-Haim, waarin 78 kinderen tussen de 6 en 12 jaar met GMFCS II of III meededen. De kinderen werden willekeurig toegewezen aan een interventiegroep (functionele therapie) of een controlegroep (NDT-therapie). De therapie duurde drie maanden, met 3 sessies per week van 1 uur. De effecten werden gemeten met de GMFM-66, een tool die de motorische functie bij kinderen met CP meet.

De resultaten van de studie tonen aan dat er na drie maanden geen statistisch significant of klinisch relevant effect werd gevonden in de totale groep op de GMFM-66. Kinderen in de functionele therapiegroep gingen zelfs iets achteruit in vergelijking met de NDT-groep, hoewel dit niet statistisch significant was. Bij kinderen geclassificeerd als GMFCS III gingen beide groepen vooruit, maar ook hier was het verschil niet significant.

Deze bevindingen suggereren dat de effectiviteit van functionele therapie op mobiliteit niet duidelijk is. Het is mogelijk dat de duur van de interventie niet lang genoeg was om significante verbeteringen te detecteren, of dat de criteria voor functionele therapie niet consistent genoeg zijn tussen studies.

Na afloop van de therapie werd ook gekeken naar de resultaten zes maanden later. In deze tijd gingen de kinderen in de functionele therapiegroep verder vooruit, maar ook deze verandering was niet statistisch significant.

De rol van context en individuele variabelen

Een belangrijk aspect van functionele therapie is de rol van context en individuele variabelen. De werkgroep benadrukt dat therapie moet worden afgestemd op de leefomgeving van het kind. Dit betekent dat interventies niet alleen in een klinische setting moeten plaatsvinden, maar ook in de echte wereld waarin het kind zich dagelijks beweegt.

Daarnaast is het belangrijk om rekening te houden met de individuele kenmerken van het kind. Elke kind met spastische CP heeft unieke behoeften en beperkingen. De uitvoering van functionele therapie moet daarom afgestemd zijn op de specifieke doelen en context van het kind.

In de studie van Bar-Haim werden bijvoorbeeld doelen vastgesteld door de kinderen zelf, wat een essentieel element is van functionele therapie. Deze aanpak helpt bij het creëren van motivatie en betrokkenheid bij het leren en oefenen van nieuwe vaardigheden.

De uitdagingen van functionele therapie

Hoewel functionele therapie veelbelovend is, zijn er ook uitdagingen. Een van de grootste uitdagingen is de ontbrekende eenduidigheid in de definitie en uitvoering van functionele therapie. In veel studies is de interventie niet duidelijk beschreven, wat het vergelijken van resultaten bemoeilijkt.

Daarnaast is het moeilijk om te bepalen wat het meest effectieve onderdeel van functionele therapie is. Is het de focus op het functioneren in de eigen omgeving, de betrokkenheid van ouders, of de gebruik van compensatoire strategieën? Zonder een eenduidige definitie en uitvoering is het moeilijk om te bepalen welke aspecten het meeste effect hebben.

Een andere uitdaging is de complexiteit van het toepassen van functionele therapie in de praktijk. Het vereist een sterke samenwerking tussen therapeuten, ouders en kinderen. Het vereist ook een goed begrip van de context waarin het kind zich beweegt en de specifieke doelen die het kind wil bereiken.

De rol van ouders en betrokkenheid

Een van de kernprincipes van functionele therapie is de betrokkenheid van ouders. Het idee is dat ouders een actieve rol spelen in het leren en oefenen van functionele vaardigheden. Ouders worden niet alleen als observatoren beschouwd, maar als medewerkers in de therapie.

Deze aanpak heeft verschillende voordelen. Eerst en vooral helpt het bij het creëren van continuiteit in het oefenen van nieuwe vaardigheden. Ouders kunnen ervoor zorgen dat kinderen buiten de therapietijd doorgaan met het oefenen van de doelen. Bovendien helpt het bij het versterken van de motivatie van het kind, omdat ouders vaak een belangrijke rol spelen in het dagelijks functioneren.

In de studie van Bar-Haim was er een duidelijke betrokkenheid van ouders in de interventie. Doelen werden vastgesteld door de kinderen en ouders samen, wat een essentieel onderdeel is van functionele therapie. Deze aanpak maakt de therapie persoonlijker en relevant voor het dagelijks leven van het kind.

De toekomst van functionele therapie

Hoewel de effectiviteit van functionele therapie op mobiliteit nog niet volledig duidelijk is, is de richting van de interventie veelbelovend. De focus op functionele activiteiten en het functioneren in de eigen context is een logische ontwikkeling in de revalidatie van kinderen met spastische CP.

In de toekomst is het belangrijk om meer onderzoek te doen naar de effectiviteit van functionele therapie. Dit onderzoek moet gericht zijn op de identificatie van de meest effectieve aspecten van de therapie, zoals het gebruik van compensatoire strategieën, de betrokkenheid van ouders en de contextspecifieke aanpak.

Daarnaast is het belangrijk om de uitvoering van functionele therapie te normaliseren en te standaardiseren. Een eenduidige definitie en uitvoering zorgen voor betere vergelijkbaarheid van studies en een beter begrip van de effectiviteit van de interventie.

Conclusie

Functionele therapie is een veelbelovende benadering in de revalidatie van kinderen met spastische cerebrale parese. De focus op het verbeteren van functionele activiteiten en het functioneren in de eigen context maakt deze benadering uniek in vergelijking met traditionele fysiotherapie. De uitvoering van functionele therapie moet echter afgestemd zijn op de individuele behoeften van het kind en de context waarin het kind zich beweegt.

Hoewel studies zoals die van Bar-Haim geen duidelijke effecten tonen op mobiliteit, suggereren ze wel dat functionele therapie een waardevolle aanvulling kan zijn op andere interventies. Het is belangrijk om verder onderzoek te doen naar de effectiviteit van deze benadering en de criteria voor functionele therapie verder te verfijnen.

In de toekomst is het wenselijk om functionele therapie te normaliseren en te standaardiseren, zodat het effect van de interventie beter te meten is. Bovendien is het belangrijk om de betrokkenheid van ouders en het gebruik van compensatoire strategieën verder te onderzoeken, omdat deze aspecten een cruciale rol spelen in het functioneren van kinderen met spastische CP.

Bronnen

  1. Bar-Haim S, Harrie N, Nammourah I, et al. Effectiveness of motor learning coaching in children with cerebral palsy: a randomized controlled trial. Clin Rehabil 2010;24:1009-1020.
  2. Bower E. McLellan DL, Arney J, et al. A randomized controlled trial of different intensities of physiotherapy and different goal-setting procedures in 44 children with cerebral palsy. Dev Med Child Neurol 1996;38:226-237.
  3. Bower E, Michell D, Burnett M, et al. Randomized control trial of physiotherapy in 56 children with cerebral palsy followed for 18 months. Dev Med Child Neurol 2001;43:4-15.

Gerelateerde berichten