Patellapeespijn is een veelvoorkomende aandoening die zich vooral voordoet bij sporters en mensen met een actief levensstijl. Het kan zowel acute als chronische pijn veroorzaken en heeft een negatief effect op dagelijks functioneren en sportprestaties. De oefentherapie speelt een centrale rol in het beheersen van de klachten en het herstelproces. Op basis van recente onderzoeken en richtlijnen wordt duidelijk dat een goed afgestemde oefenstrategie niet alleen de pijn kan verminderen, maar ook het functioneren en de kwaliteit van leven kan verbeteren.
In dit artikel bespreken we de belangrijkste oefentherapieën bij patellapeespijn, gericht op de quadriceps, heupmuskels, en excentrische oefeningen. Daarnaast worden de rol van begeleiding, het opbouwen van het programma, en de invloed van educatie op het herstel besproken. De focus ligt op een individuele aanpak die zowel fysieke als psychologische factoren in overweging neemt, conform de meest recente richtlijnen en onderzoeksresultaten.
Wat is patellapeespijn?
Patellapeespijn, ook bekend als patellofemorale pijn (PFP), is een aandoening waarbij pijn voorkomt in de regio van de knieschijf en de onderliggende structuren. De klachten ontstaan vaak als gevolg van verhoogde belasting op het patellofemorale gewricht, meestal door sport, maar ook door verkeerde lichaamsbewegingen of zwakte in de ondersteunende spieren. In veel gevallen is de exacte oorzaak van de pijn niet eenduidig te bepalen, maar de beschikbare gegevens duiden op een combinatie van mechanische en niet-mechanische factoren.
Mechanische factoren kunnen bijvoorbeeld verkeerde bewegingstechniek of onvoldoende kracht van de quadriceps- of heupspieren zijn. Niet-mechanische factoren zijn onder andere sensitisatie van de zenuwen, catastroferen van de pijn, of angst om pijn te ervaren (kinesiofobie). Oefentherapie is een kerncomponent in de behandeling van PFP, omdat het zowel mechanische als niet-mechanische factoren kan beïnvloeden.
Oefentherapie: de kerncomponent in de behandeling van PFP
Oefentherapie is breed erkend als de meest effectieve interventie bij patellapeespijn. De richtlijnen van het Nederlands Revalidatie Instituut (NRI) adviseren minstens zes tot twaalf weken oefentherapie, waarbij het programma zorgvuldig wordt afgestemd op de individuele klachtenintensiteit en de behandelbare grootheden. Een gestructureerd en individueel afgestemd oefenprogramma helpt om de klachten te verminderen, de functie te verbeteren, en het risico op terugval te beperken.
Er zijn verschillende types oefeningen die centraal staan in de behandeling van PFP. De meest voorkomende zijn quadriceps-georiënteerde oefeningen, heup-georiënteerde oefeningen, en excentrische oefeningen. Elke oefening heeft zijn eigen rol en effect, afhankelijk van de oorzaak van de pijn en de individuele behoeften van de patiënt.
Quadriceps-georiënteerde oefeningen
De quadriceps speelt een centrale rol in het ondersteunen van de knieschijf en het verminderen van de belasting op het patellofemorale gewricht. Daarom is het belangrijk om de kracht en stabiliteit van deze spiergroep te verbeteren. Quadriceps-georiënteerde oefeningen zoals de squat en leg extension worden vaak aanbevolen voor patiënten met PFP. Deze oefeningen moeten echter goed worden afgestemd op de klachtenintensiteit van de patiënt.
Bij het starten van het oefenprogramma is het verstandig om te beginnen met een beperkt bewegingsbereik. Bijvoorbeeld bij de squat kan het verstandig zijn om te beginnen bij een beweging van volledig gestrekt tot ongeveer 45 graden. Dit helpt om overbelasting van het kraakbeen te voorkomen. Als de pijn afneemt, kan het bereik geleidelijk worden uitgebreid.
Leg extensions van 90 graden tot 45 graden zijn ook effectief. Het is belangrijk om hierbij te letten op de excentrische fase van de beweging. Bij deze oefening moet het been langzaam en rustig zakken, zonder trillen. De excentrische belasting is van groot belang, aangezien er een relatie is tussen patellapeespijn en excentrische belasting van de knie.
Een recente studie (Holt, 2020) laat zien dat adherence aan oefentherapie vooral succesvol is wanneer het programma goed wordt afgestemd op de behoeften van de patiënt. Een te intens of te langdurig programma kan juist leiden tot overbelasting en verergering van de klachten. Daarom is het verstandig om het programma aan te passen aan de individuele klachtenintensiteit en voortgang.
Heup-georiënteerde oefeningen
Naast de quadriceps is de kracht van de heupspieren ook van belang bij het beheersen van PFP. De heupspieren, vooral de adductoren en abductoren, spelen een rol in het stabiliseren van de knieschijf en het verminderen van de belasting op het patellofemorale gewricht. Oefeningen die gericht zijn op de heupspieren kunnen dus een waardevolle aanvulling zijn op een quadriceps-georiënteerd programma.
Een aantal studies, zoals die van Fukuda (2010) en Hott (2019), tonen aan dat een heup-georiënteerd oefenprogramma effectief kan zijn bij het verminderen van PFP-klachten. Deze oefeningen zijn vooral nuttig bij patiënten met zwakke heupspieren of bij patiënten met een hoge klachtenintensiteit. Het is echter belangrijk om de keuze van oefeningen te baseren op de individuele behandelbare grootheden en in overleg met de fysiotherapeut of oefentherapeut.
Oefeningen zoals de gluteus maximus training (bijvoorbeeld hip thrusts of bridges) en laterale rotatie van de heup kunnen worden ingezet om de stabiliteit en kracht van de heupspieren te verbeteren. Ook oefeningen die de coördinatie tussen de heup- en kniebewegingen verbeteren kunnen nuttig zijn.
De keuze voor heup-georiënteerde oefeningen hangt af van de oorzaak van de pijn en de individuele behoeften van de patiënt. Het is verstandig om het programma aan te passen aan de voortgang van de patiënt en eventueel aan te vullen met andere oefeningen.
Excentrische oefeningen
Excentrische oefeningen, waarbij de spier zich langzaam uitrekent tijdens de beweging, zijn een belangrijk onderdeel van de oefentherapie bij patellapeespijn. Deze oefeningen zijn vooral effectief bij patiënten met patellofemoraal pijnsyndroom en patellapees tendinopathie. Een recente studie (Young, 2005) toont aan dat een excentrische squat-protocol na twaalf maanden betere resultaten geeft dan een traditioneel excentrisch protocol bij volleyballers met patellapees tendinopathie.
Excentrische oefeningen zijn effectief omdat ze de kracht en stabiliteit van de spieren versterken, zonder te veel belasting op het kraakbeen te leggen. De excentrische fase van de beweging is bijzonder belangrijk, omdat deze fase de spierkracht versterkt en de pijn kan verminderen. Het is echter belangrijk om deze oefeningen voorzichtig uit te voeren en de intensiteit geleidelijk te verhogen.
Bij het starten van het programma is het verstandig om te beginnen met lichte oefeningen en de intensiteit geleidelijk te verhogen. Het is ook belangrijk om te letten op eventuele toename van pijn na de oefeningen. In dat geval dient het programma aan te worden gepast.
Opbouw van het oefenprogramma
Het opbouwen van het oefenprogramma is een cruciale stap in de behandeling van PFP. Het programma moet zorgvuldig worden afgestemd op de individuele behoeften van de patiënt, met aandacht voor de klachtenintensiteit, de oorzaak van de pijn, en de voortgang van het herstel. Het is verstandig om het programma in samenwerking met een fysiotherapeut of oefentherapeut op te bouwen, zodat eventuele afwijkingen of problemen tijdig kunnen worden aangepakt.
De klachtenintensiteit is een belangrijk criterium bij het opbouwen van het programma. Een patiënt met een hoge klachtenintensiteit profiteert bijvoorbeeld meer van een pijnvrij en heup-georiënteerd oefenprogramma, terwijl een patiënt met een lage klachtenintensiteit waarschijnlijk profiteert van een quadriceps-georiënteerd programma.
Het programma moet ook worden afgestemd op de klachtenduur. Studies tonen aan dat klachtenduur en klachtenintensiteit geassocieerd zijn met een langduriger beloop van de klachten. Daarom is het verstandig om het programma aan te passen aan de individuele voortgang en eventueel aan te vullen met aanvullende oefeningen of behandelmethoden.
Het is ook belangrijk om het programma regelmatig te evalueren. Na zes en twaalf weken dient de voortgang van het programma, de pijn (bijvoorbeeld gemeten met de Visual Analogue Scale), en de functie (bijvoorbeeld gemeten met de Anterior Knee Pain Score) te worden geëvalueerd. Als er geen voldoende voortgang is, kan het programma worden aangepast of aanvullende behandelmethoden worden overwogen.
Rol van educatie en mindset
Naast fysieke oefeningen speelt educatie en mindset ook een belangrijke rol in de behandeling van PFP. Het is verstandig om de patiënt bewust te maken van de oorzaak en de behandeling van de pijn. Een recente review (de Oliveira Silva, 2020) laat zien dat educatieve elementen even effectief kunnen zijn als oefentherapie. Advies over het belasten van de knie (load management), advies over het zelf beheersen van pijnklachten (selfmanagement), en uitleg over de oorsprong en mogelijke oorzaken van PFP zijn allemaal waardevolle onderdelen van de behandeling.
Het is ook belangrijk om de patiënt te ondersteunen bij het opbouwen van een positieve mindset. Het beheersen van pijn en het herstelproces vereisen doorzettingsvermogen en geduld. Het is verstandig om de patiënt te motiveren en te ondersteunen bij het volgen van het programma. De rol van de therapeut is hierin cruciaal, aangezien hij of zij de patiënt kan ondersteunen bij het volgen van het programma en eventuele problemen kan aanpakken.
Het is ook belangrijk om de patiënt bewust te maken van de rol van pijn en de mogelijkheid van sensitisatie. Veel patiënten met PFP ervaren een verhoogde sensitisatie van de zenuwen, wat leidt tot een verhoogde pijnperceptie. Het is verstandig om de patiënt te informeren over deze mogelijkheid en hem of haar te ondersteunen bij het beheersen van de pijn.
Aanvullende conservatieve behandelingen
Als het oefenprogramma na zes tot twaalf weken geen voldoende voortgang levert, kunnen aanvullende conservatieve behandelingen worden overwogen. Deze behandelingen kunnen bijvoorbeeld gericht zijn op het beheersen van pijn, het verbeteren van de stabiliteit en kracht van de spieren, of het verminderen van de belasting op het patellofemorale gewricht. De keuze van de behandelingen dient in overleg met de therapeut te worden gemaakt, op basis van de individuele behoeften en de voortgang van het herstel.
Aanvullende behandelingen kunnen bijvoorbeeld gericht zijn op de gebruik van tape, het gebruik van een knieband, of het toepassen van manuele therapie. Het is echter belangrijk om deze behandelingen aan te passen aan de individuele behoeften van de patiënt en te combineren met het oefenprogramma.
Samenvatting van de aanbevelingen
Bij de behandeling van patellapeespijn is oefentherapie de kerncomponent. Het programma moet zorgvuldig worden afgestemd op de individuele behoeften van de patiënt, met aandacht voor de klachtenintensiteit, de oorzaak van de pijn, en de voortgang van het herstel. Het is verstandig om het programma in samenwerking met een fysiotherapeut of oefentherapeut op te bouwen, zodat eventuele afwijkingen of problemen tijdig kunnen worden aangepakt.
Quadriceps-georiënteerde oefeningen, heup-georiënteerde oefeningen, en excentrische oefeningen zijn allemaal waardevolle onderdelen van het programma. Het programma moet worden afgestemd op de individuele behoeften van de patiënt en eventueel aan te vullen met aanvullende behandelmethoden.
Het is ook belangrijk om educatieve elementen in de behandeling op te nemen. Advies over het belasten van de knie, advies over het zelf beheersen van pijnklachten, en uitleg over de oorsprong en mogelijke oorzaken van PFP zijn allemaal waardevolle onderdelen van de behandeling. Het is verstandig om de patiënt te ondersteunen bij het opbouwen van een positieve mindset en het beheersen van de pijn.
Conclusie
Patellapeespijn is een veelvoorkomende aandoening die zowel fysieke als psychologische factoren kan beïnvloeden. Oefentherapie is een kerncomponent in de behandeling van deze aandoening en kan effectief zijn bij het verminderen van de pijn, het verbeteren van de functie, en het voorkomen van terugval. Het programma moet zorgvuldig worden afgestemd op de individuele behoeften van de patiënt, met aandacht voor de klachtenintensiteit, de oorzaak van de pijn, en de voortgang van het herstel.
Quadriceps-georiënteerde oefeningen, heup-georiënteerde oefeningen, en excentrische oefeningen zijn allemaal waardevolle onderdelen van het programma. Het programma moet worden afgestemd op de individuele behoeften van de patiënt en eventueel aan te vullen met aanvullende behandelmethoden. Het is ook belangrijk om educatieve elementen in de behandeling op te nemen en de patiënt te ondersteunen bij het beheersen van de pijn en het herstelproces.
Bij het opbouwen van het programma is het verstandig om samen te werken met een fysiotherapeut of oefentherapeut, zodat eventuele afwijkingen of problemen tijdig kunnen worden aangepakt. Het programma moet regelmatig worden geëvalueerd en eventueel worden aangepast, afhankelijk van de voortgang van het herstel. Met een goed afgestemde en holistische aanpak is het mogelijk om de klachten van PFP effectief te beheersen en de kwaliteit van leven te verbeteren.
Bronnen
- Fukuda, T.Y., Rossetto, F.M., Magalhaes, E., et al. (2010). Short-term effects of hip abductors and lateral rotators strengthening in females with patellofemoral pain syndrome: a randomized controlled clinical trial. Journal of Orthopaedic and Sports Physical Therapy;40(11):736-42.
- Herrington, L., Al-Sherhi, A. (2007). A controlled trial of weight-bearing versus non-weight-bearing exercises for patellofemoral pain. Journal of Orthopaedic & Sports Physical Therapy; 37(4):155-60.
- Holden, S., Rathleff, M. S., Thorborg, K., Holmich, P., & Graven-Nielsen, T. (2020). Mechanistic pain profiling in young adolescents with patellofemoral pain before and after treatment: a prospective cohort study. PAIN; 161(5).
- Holt, C. J., McKay, C. D., Truong, L. K., Le, C. Y., Gross, D. P., & Whittaker, J. L. (2020). Sticking to It: A Scoping Review of Adherence to Exercise Therapy Interventions in Children and Adolescents With Musculoskeletal Conditions. Journal of Orthopaedic & Sports Physical Therapy, 1–54. https://doi.org/10.2519/jospt.2020.9715
- Hott, A., Brox, J.I., Pripp, A.P. et al. (2019) Effectiveness of Isolated Hip Exercise, Knee Exercise, or Free Physical Activity for Patellofemoral Pain. A Randomized Controlled Trial. The American Journal of Sports Medicine;47(6):1312–1322
- Hott, A., Brox, J.I., Pripp, A.P. et al. (2020) Patellofemoral pain: One year results of a randomized trial comparing hip exercise, knee exercise, or free activity. Scand J Med Sci Sports; 30:741–753.
- Loudon, J.D., Gajewsk, B., Goist-Foley, H.L., Loudon, K.L. (2004). The effectiveness of exercise in treating patellofemoral-pain syndrome. Journal of Sport Rehabilitation;13:323-42.
- Moyano, F., Valenza, M.C., Martin, L. et al. (2013). Effectiveness of different exercises and stretching physiotherapy on pain and movement in patellofemoral pain syndrome: a randomized controlled trial. Clinical Rehabilitation;27(5):409-17.
- Powers, C. M., Witvrouw, E., Davis, I. S., & Crossley, K. M. (2017). Evidence-based framework for a pathomechanical model of patellofemoral pain: 2017 patellofemoral pain consensus statement from the 4th International Patellofemoral Pain Research Retreat, Manchester, UK: part 3. British Journal of Sports Medicine; 51(24), 1713.
- Rathleff, M.S., Roos, E.M., Olesen, J.L., Rasmussen, S. (2015) Exercise during school hours when added to patient education improves outcome for 2 years in adolescent patellofemoral pain: a cluster randomised trial. Br J Sports Med; 49:406–412.
- Saad, M.C., Vasconcelos, R.A., Mancinelli, L.V.O., et al. (2018). Is hip strengthening the best treatment option for females with patellofemoral pain? A randomized controlled trial of three different types of exercises. Braz J Phys Ther.;22(5):408-416.
- van Ark, M., Cook, J., Docking, S., Zwerver, J., Gaida, J., van den Akker‐Scheek, I., & Rio, E. (2016). Do isometric and isotonic exercise programs reduce pain in athletes with patellar tendinopathy in‐season? A randomised clinical trial. Journal of Science and Medicine in Sport, 19(9), 702–706.
- van Rijn, D., van den Akker-Scheek, I., Steunebrink, M., Diercks, R. L., Zwerver, J., & van der Worp, H. (2019). Comparison of the effect of 5 different treatment options for managing patellar tendinopathy: a secondary analysis. Clinical Journal of Sport Medicine, 29(3), 181-187.
- Visnes, H., Hoksrud, A., Cook, J., & Bahr, R. (2005). No effect of eccentric training on jumper's knee in volleyball players during the competitive season: A randomized clinical trial. Scandinavian Journal of Medicine & Science in Sports, 16(3), 227–234.
- Young, M. A., Cook, J. L., Purdam, C. R., Kiss, Z. S., & Alfredson, H. (2005). Eccentric decline squat protocol offers superior results at 12 months compared with traditional eccentric protocol for patellar tendinopathy in volleyball players. British journal of sports medicine, 39(2), 102-105.