Het aanleren van de schoolslag is een fundamenteel onderdeel van het zwemonderwijs. Deze zwemslag is traditioneel de eerste die aan beginners wordt geleerd, zowel bij jeugd als volwassenen, vanwege haar relatieve eenvoud en de mogelijkheid om het hoofd steeds boven water te houden. De schoolslag biedt bovendien een uitstekende basis voor het aanleren van andere technieken, zoals de borstcrawl. Aan de hand van een duidelijke methode, ondersteund door systematisch oefenen, kunnen leerlingen geleidelijk aan de technische aspecten van de schoolslag onder de knie krijgen.
In dit artikel bespreken we een aantal essentiële oefeningen, technieken en aanpakken die centraal staan bij het aanleren van de schoolslag, met een nadruk op de methode van Bongertman en Wiessner, zoals deze in het boek Het Zwemonderwijs van M. Boon worden beschreven. Deze methode biedt een gestructureerde aanpak die zich richt op het behalen van technische vaardigheid, het ontwikkelen van watergevoel en het opbouwen van vertrouwen in het water.
Inleiding
De schoolslag wordt algemeen gezien als de meest toegankelijke en veilige manier om te leren zwemmen. Ze is makkelijker in te delen in losse bewegingscomponenten en biedt meer controle over het lichaam in het water. Dit maakt de schoolslag een uitstekende keuze voor beginners, maar ook voor kinderen die nog niet volledig vertrouwd zijn met het water.
De methode van Bongertman en Wiessner benadrukt een stapsgewijze aanpak, waarbij leerlingen eerst het zwemmen met drijfmiddelen onder de knie krijgen, om uiteindelijk zonder drijfmiddelen zelfstandig te kunnen zwemmen. De nadruk ligt op het ontwikkelen van een gestrekt lichaam, het juiste gebruik van armen en benen en de ademhaling. Door systematisch te oefenen, leren leerlingen niet alleen de techniek, maar ook de fysieke en mentale eisen die het zwemmen met zich meebrengt.
Deze methode is uitgebreid getest en geoptimaliseerd in het kader van zwemonderwijs in Haarlem en is daarom een betrouwbare bron voor het aanleren van de schoolslag.
Oefeningen bij het aanleren van de schoolslag
Het aanleren van de schoolslag wordt meestal in kleine stappen uitgevoerd. Oefeningen zijn hierin essentieel, omdat ze het lichaam helpen om de juiste bewegingen onder de knie te krijgen. Hieronder volgt een overzicht van de belangrijkste oefeningen die worden aanbevolen bij het aanleren van de schoolslag, op basis van de methode van Bongertman en Wiessner.
1. Oefeningen met drijfmiddelen
De schoolslag wordt vaak met drijfmiddelen aangeleerd, zoals een bus op de rug of kurken in de handen. Dit helpt de leerling om zich op de armbewegingen en ademhaling te concentreren, zonder dat de benen al volledig gecontroleerd moeten worden.
- Kurken in de handen en bus op de rug: In de eerste lessen wordt de leerling ondersteund met een bus op de rug en kurken in de handen. Hierbij leren ze het ritme van de armbewegingen en de ademhaling. De bus wordt later verwijderd, waarna de leerling met de kurken verder oefent.
- Gecombineerde slag: Nadat de armbewegingen onder de knie zijn, wordt de gecombineerde slag aangeleerd. Dit betekent dat de armen en benen samen werken, maar nog met beperkte kracht.
2. Uitdrijven met gestrekt lichaam
Een essentieel aspect van de schoolslag is het vermogen om lang in het water te blijven drijven, met een gestrekt lichaam. Dit wordt vaak geoefend met een afzet vanaf de badwand.
- Afzetten van de badwand: Leerlingen zetten af met één been en houden hun armen gestrekt langs hun hoofd. Het lichaam moet zo ver mogelijk uitdrijven, terwijl het hoofd boven water blijft.
- Lang uitdrijven: Door te oefenen met het uitdrijven, leren leerlingen het water te vertrouwen en het gevoel van drijven te ontwikkelen. Deze oefening moet herhaald worden totdat het lichaam spontaan drijft.
3. Armbewegingen en ademhaling
De armbewegingen van de schoolslag bestaan uit drie taktbewegingen. In het begin wordt dit met drijfmiddelen geoefend, maar later wordt de techniek verder verfijnd.
- 3-takt: In de beginfase wordt de schoolslag uitgevoerd in drie taktbewegingen: intrekken, spreiden en sluiten.
- 2-takt: Nadat de 3-takt onder de knie is, wordt de eerste twee bewegingen samengevoegd, waardoor de 2-takt ontstaat.
- 1-takt: In de laatste fase wordt de armbeweging als één geheel uitgevoerd. Dit vereist meer coördinatie en kracht in de schouders en armen.
De ademhaling wordt geleidelijk ingebouwd. Eerst wordt adem genomen bij het begin van de overhaalbeweging, later bij het doorhalen. Het is belangrijk dat de ademhaling gecontroleerd en niet te snel gebeurt.
4. Beenslagen
De beenslagen worden in het begin met drijfmiddelen uitgevoerd, zodat de leerling zich op de armbewegingen en ademhaling kan concentreren. In latere stadia worden de beenslagen verfijnd.
- Intrek- en spreidbewegingen: In kniediep water worden de beenslagen met één been geoefend. De leerling leert de weerstand van het water te voelen.
- Samenwerking armen en benen: Pas wanneer de armbewegingen voldoende zijn ontwikkeld, wordt de samenwerking tussen armen en benen aangeleerd.
Aanpak van de methode
De methode van Bongertman en Wiessner benadrukt het belang van een gestructureerde aanpak, waarbij elke stap wordt beheerst voordat de volgende wordt ingezet. Dit helpt leerlingen om technische fouten te voorkomen en het vertrouwen in het water te vergroten.
1. Start met drijfvaardigheid
Voordat de schoolslag wordt aangeleerd, is het essentieel dat de leerling vertrouwen heeft in het water. Dit wordt bereikt door eenvoudige drijf- en zwemoefeningen, waarbij het hoofd boven water blijft.
2. Voorgaande oefeningen
De leerling begint met het leren van eenvoudige bewegingen, zoals het uitdrijven, het bewegen van één been en het voelen van de weerstand van het water. Deze oefeningen worden systematisch herhaald totdat de leerling zich comfortabel voelt in het water.
3. Uitvoering van de schoolslag
Zodra de leerling vertrouwd is met de basisbewegingen, wordt de schoolslag in drie taktbewegingen aangeleerd. In de volgende stadia wordt deze techniek verfijnd tot de 2-takt en uiteindelijk de 1-takt.
4. Zonder drijfmiddelen
Naarmate de techniek verfijnd wordt, worden de drijfmiddelen geleidelijk verwijderd. Dit helpt de leerling om het lichaamsgewicht en het watergevoel te ontwikkelen.
5. Vrijzwemmen
In de laatste fase wordt de leerling in staat gesteld om vrij te zwemmen, zonder gebruik van drijfmiddelen. Hierbij is het belangrijk dat het hoofd steeds boven water blijft en dat de bewegingen gecontroleerd worden.
De rol van de trainer
De trainer speelt een centrale rol in het aanleren van de schoolslag. Hij of zij moet niet alleen technisch in staat zijn om de oefeningen correct uit te voeren, maar ook psychologisch aanwezig zijn om vertrouwen te bieden en fouten te corrigeren.
1. Feedback geven
Het is belangrijk dat de trainer continue feedback geeft. Deze feedback moet gericht zijn op het verbeteren van de techniek, maar ook op het versterken van het vertrouwen in het water.
2. Motiveren en stimuleren
De trainer moet de leerling motiveren om de oefeningen door te zetten. Dit kan gedaan worden door kleine doelen te stellen en voortgang te belonen.
3. Aanpassing aan individuele behoeften
Omdat elk leerling anders is, moet de trainer in staat zijn om de oefeningen aan te passen aan de individuele behoeften van de leerling. Dit betekent dat de tempo’s en technieken kunnen worden aangepast.
Conclusie
Het aanleren van de schoolslag is een essentieel onderdeel van het zwemonderwijs. Door middel van een gestructureerde methode, waarbij oefeningen met drijfmiddelen worden gebruikt en de techniek stap voor stap verfijnd wordt, kunnen leerlingen geleidelijk aan de schoolslag onder de knie krijgen. De methode van Bongertman en Wiessner biedt een betrouwbare aanpak, die zowel technisch als psychologisch gericht is.
De schoolslag is niet alleen een handige manier om te leren zwemmen, maar ook een uitstekende basis voor andere zwemslagen, zoals de borstcrawl. Door systematisch te oefenen en te letten op de detailaspecten van de techniek, kunnen leerlingen een solide basis leggen voor hun verder zwemverloop.
Het belang van de trainer in het proces is niet te onderschatten. Zijn of haar rol omvat het geven van feedback, het motiveren van de leerling en het aanpassen van de oefeningen aan de individuele behoeften. Het resultaat is een leerling die niet alleen technisch correct zwemt, maar ook vertrouwen heeft in het water.